Simulatie hechttechnieken
Littekenbreuk is de meest voorkomende complicatie bij
buikchirurgie en komt voor in 5 tot 20% van de uitgevoerde
operaties. Littekenbreuken zijn over het algemeen een gevolg van
falende sluitingstechnieken. Op het gebied van traditionele
sluitingstechnieken (met naald en draad) bestaan geen eenduidige
methoden. In toenemende mate zijn er daarnaast alternatieven voor
naald en draad beschikbaar gekomen, ondermeer in de vorm van matten
en lijm.
Binnen de medische wereld bestaat behoefte aan het verbeteren
van het hechtingsresultaat en
daarmee een verlaging van het aantal gevallen van complicaties
bij buikchirurgie. Hoewel er volop innovatieve hechtmethoden op de
markt komen, blijft de techniek om te testen en simuleren met
hechttechnieken stilstaan. Nog altijd wordt door studenten en
chirurgen in opleiding hechttechnieken geleerd met behulp van
fietsbanden en proefdieren. Het alternatief is het testen op
patiënten in de praktijk. Dit is een methode die verassend vaak
wordt gehanteerd voor het oefenen met hechttechniek, met een
onaanvaardbaar risico op complicaties voor de patiënt als gevolg.
Er bestaat binnen de medische wereld behoefte aan een test of
simulatie-instrument waarmee op realistische wijze het hechten van
de buikwand geoefend kan worden.
Innovatieve technologie De kennisinstelling heeft een instrument
ontwikkeld dat als computergestuurde buikwandsimulator fungeert.
De AbdoMAN kan op realistische wijze het gedrag van de buikwand
simuleren en bovendien het effect van de hechting meten. De AbdoMAN
stelt ontwikkelaars in staat om nieuwe hechttechnieken te
ontwikkelen en testen. Daarnaast stelt de AbdoMAN studenten en
chirurgen in opleiding in staat om op realistische wijze te oefenen
met het sluiten van de buikwand. Vervolgens is het mogelijk om de
hechting te testen op breekspanning.
De AbdoMAN is gebaseerd op een pneumatisch systeem waarop met
behulp van een disposable materiaal telkens de hechttechniek kan
worden getest. Het systeem is aan te sturen met behulp van een
laptop. Op dit moment beschikt de kennisinstelling over een (basic)
werkend prototype dat verder uitontwikkeld dient te worden om een
duurzaam en robuust product te ontwikkelen dat vermarkt kan worden.
Het product bevind zich in het stadium van 'proof of
principle'.
|